23-02-11

Altruïstisch bloed


De bloedbank, ook een hele belevenis. Ze willen je graag, ze willen iedereen.  Maar zie maar eens dat je er komt. Voordat je mag doneren moet je eerst een hele horde obstakels passeren, allerlei buisjes met  bloed afstaan en ook nog eens perfect gezond zijn. Want als je pijnstillers hebt geslikt, een piercing hebt laten zetten, of seks hebt gehad met een man (als man, dat moet ik er dan wel bijzeggen) mag je al niet meer. Ik vind dat ze behoorlijk kieskeurig zijn daar bij die bloedbank. Ze mogen maar wat blij zijn dat ze mijn bloed krijgen – al die ellende die ik moet doorstaan!

Bijvoorbeeld de gevreesde naald. Ik beken dat ik eigenlijk helemaal niet bang ben voor naalden, maar om zo’n ding in je huid nou lekker te noemen gaat wel wat te ver. Daarom heb ik vandaag een tactiek bedacht:

Het moment dat de naald in mijn arm wordt gestoken denk ik aan een prachtig wit zandstrand met wuivende palmbomen en een blauwe zee. Dat helpt, gelukkig, want die naald is behoorlijk dik. Niet zo’n schattig naaldje dat je ziet bij inentingen. Een vette naald, zo mijn ader in. Echt pijn doet het overigens niet, ik geef geen kik – stoer hè!

Bizar vind ik het hoe mijn bloed vervolgens rustig mijn lichaam uit stroomt, een zakje in. Ik realiseer me niet echt dat het mijn eigen bloed is dat mijn lichaam uitgepompt wordt. Pas als de zuster de hele boel dichtknipt (ja, dat kan dus blijkbaar ook) en de naald weer uit de ader verwijderd zie ik dat ik een halve liter bloed heb afgestaan. Een hele halve liter.Nounou!

Dan zegt de zuster ook nog dat ik de beste bloedgroep heb. Wat fijn! Ik kan dus het leven van ieder willekeurig persoon redden. Een momentje voel ik me trots op mijn capaciteiten.  Dan realiseer ik me dat mijn bloedgroep voor mijzelf dan eigenlijk helemaal niet zo handig is. Omdat ik van bijna niemand bloed kan ontvangen. Mijn leven redden zit er dus niet in. Balen. Maar ik heb wel altruïstisch bloed, dat dan weer wel.

Nadat de zuster mijn bloedzakje veilig heeft opgeborgen krijg ik een enorm verband om mijn arm gewikkeld en wordt ik begeleid naar een tafel drie meter verderop die vol staat met koekjes en broodjes en koffie en thee. “Je moet eerst wat eten voor je weg gaat”, deelt de vrouw die bij de bar hoort mij mee.  Geen probleem, denk ik, en heel verstandig eet ik alle soorten koekjes, een broodje kaas en ook nog een gek wasa-crackertje dat veel lekkerder blijkt te zijn dan ik altijd had gedacht.

Hoewel bloed doneren keihard werken is -  ik bedoel, je moet eerst op controle, dan honderd formulieren invullen en zie maar eens dat je die bloedbank vind – wegen de voordelen toch wel op tegen de nadelen: Onbeperkt gratis koekjes eten.